Het dagelijks leven op het kinderdorp

OLYMPUS DIGITAL CAMERAHet dagelijks leven in het kinderdorp zoveel mogelijk als in gewoon gezin.

Het dagprogramma in het kinderdorp wijkt niet eens veel af van die van een gemiddeld gezin in Nederland. Alleen de tijdstippen verschillen nogal. Vanwege het  klimaat begint voor  de kinderen de dag al om half zes  ’s morgens.  In de twaalf woongroepen nemen de tantes de rol van moeder op zich en zorgen voor een zo’n normaal mogelijk gezinsleven. Al zijn het dan wel flinke gezinnen met 12 tot 14 kinderen. 

Johan Smoorenburg  geniet ervan dat hij in het dorp vrijwel voortdurend omringd is door kinderen. Zijn huis zit vaak tjokvol met kinderen die een spelletje komen spelen of gewoon wat aandacht willen. En als hij door het dorp loopt hangen ze met zijn twintigen aan zijn broekspijpen. “Ik kom uit een kermisgezin, daar waren we altijd bij elkaar”, legt Johan zijn voorkeur uit voor deze gezellige drukte. “Als kinderen sliepen we bij elkaar in de pakwagens.” Hij is dus wel wat gewend en had er destijds na de aardbeving ook totaal geen moeite mee, dat zijn huis vol lag met artsen, verpleegsters en hulpverleners. Geen enkel  punt voor hem om een ontbijt klaar te maken voor een man of 15.

Dagelijkse ritme
De kinderen in het dorp volgen een redelijk strak schema.  Half zes opstaan, bed opmaken, dagopening en dan eten. Om kwart voor acht naar school tot één uur ’s middags, omkleden, eten en huiswerk maken of bijles volgen.  Dat huiswerk maken ze trouwens op school. Intussen doen de kleintjes een middagdutje. Pas ‘s middags na vijf uur gaan de kinderen buitenspelen. Voor die tijd is het gewoon te heet. En op vrije dagen genieten ze  van het zwembad. En ze kunnen zich uitleven bij de sportclubjes of het zangkoortje. Tussen zeven en acht uur ‘s avonds liggen ze allemaal weer op bed. Bekaf. Alleen als er een samenkomst is blijven ze langer op.

Volgens Johan zijn de kinderen best wel gedisciplineerd en doen zonder mopperen hun klusjes in huis. “Ze weten wat hun taak is en klagen daar niet over,” zegt hij. “Wat alleen maar niet overgaat is dat ze hun schoenen en school tassen steeds kapotmaken.” Hij zucht, “dat krijgen we er niet uit.” Maar zeuren doen de kinderen niet, en dat maakt veel goed. “Als je gewoon zegt dat we niet hebben waarom ze vragen, dan accepteren ze dat en vragen niet verder.”

Tantes en géén ooms
Het dorp heeft 12 tantes, een voor elk appartement, en zes reserve tantes. Dit zijn betaalde banen.  Vroeger waren er permanent twee tantes per gezin, maar daar is geen geld meer voor. Nu springt een van de reservetantes in als zij er een keer niet zijn.  Als een tante advies nodig heeft voor de opvoeding of specifieke problemen bij een kind, kan zij terecht bij de psychologe die dagelijks op het dorp aanwezig is. Ook Wilcie weet vaak goede raad.

Ooms ontbreken in het dorp. Opvoeden is hier een zaak voor vrouwen. “De mannen op Haïti zijn nu niet bepaald de gewenste rolmodellen”, zegt Johan daar met gevoel voor understatement over. “Dat de vader afwezig is in dit land blijkt ook wel bij de bezoekuren op zondag. Dan komen er overwegend moeders en andere vrouwelijke familieleden.”

Sociaal leven
Johan loopt geregeld de huisjes binnen voor een praatje. “Je komt hier niet op de thee hoor”, lacht hij. “Dat is een Nederlandse gewoonte. Hetzelfde geldt voor verjaardagen.  Wij kennen hier geen cultuur van verjaardag vieren. Een keer per maand  vieren we feest met alle kinderen en eten dan taart, drinken limonade en zingen liedjes. Dan noemen we meteen welke kinderen jarig zijn geweest.”

Ondanks hun achtergrond  vertonen de kinderen volgens Johan maar weinig gedragsproblemen.  De  onschuldige  knokpartijtjes tussen de jongens daargelaten, die horen er bij.  “Ze komen hier vaak al op jonge leeftijd. En bovendien hebben ze veel veerkracht”, verklaart hij.  “Maar ze helpen elkaar ook door moeilijke momenten heen.”  Hij geeft als voorbeeld twee zusjes die rond hun zevende jaar naar het dorp kwamen. “Ze kwamen allebei in een ander appartement te wonen. Natuurlijk misten ze hun moeder en elkaar, en het ene meisje huilde verschrikkelijk, ik kon haar niet bereiken. De tante zei toen: ‘Papa Jean laat haar maar. Binnen een paar dagen is ze gewend en dan is het goed met haar.’ En zo ging het ook. De andere kinderen hielpen haar en ze kwam al snel tot rust.” Ze maakten later nog wel veel mee met het meisje. Ze had de bloedziekte Falsiforme in de ergste graad. Johan redde nog eens persoonlijk haar leven door direct zelf bloed te geven. Ze heeft het allemaal overleefd en woont nu met haar zus in de Dominicaanse Republiek.

Woonruimte
De huisjes zijn ruim genoeg: een woonkamer, drie slaapkamers en twee badkamers. Natuurlijk valt er altijd wel ergens iets te repareren en dan is er gelukkig de timmerman op het dorp. Op dit moment zou een flinke schilderbeurt geen overbodige luxe zijn. Over de inrichting maakt niemand zich hier druk. Vanwege het klimaat zijn de mensen  meestal buiten. Daar vinden de kinderen ook altijd wel een plekje voor zichzelf, als ze even alleen willen zijn. Maar dat komt eigenlijk zelden voor.  Alleen de matrassen, daar zitten ze wel mee. Er zijn  veel langdurige bedplassers en dan is een nieuwe matras op zijn tijd geen luxe.