“We zijn terug maar nog niet thuis”

We hebben ons verlof in Nederland alweer achter ons gelaten. We hebben een goede tijd gehad en eind oktober zijn we weer op het vliegtuig gestapt. Maar helaas niet naar Haïti, want het is er op dit moment dusdanig onveilig dat we niet terug kunnen keren naar huis. Ontvoeringen zijn aan de orde van de dag en de veiligheid is hierdoor nog verder te zoeken dan normaal. We verblijven momenteel in de Dominicaanse Republiek en het ziet er naar uit dat we hier nog wel even zitten.

Dit is niet makkelijk voor ons maar we hebben elke dag contact met het team op Haïti en gelukkig gaat alles goed. Zodra de situatie het weer toelaat zullen wij teruggaan maar het is nu gewoon niet verantwoord. Hart voor Haïti is erg bekend in de omgeving en men denkt dat wij als stichting erg rijk zijn. Hierdoor staan ook wij bovenaan de lijst om te worden ontvoerd.

Op het kinderdorp is het tot nog toe rustig. Gelukkig merken de kleinere kinderen maar weinig van alles wat er gaande is. De tieners natuurlijk wel, zij begrijpen wat er gebeurt in het land en zien ook de gevolgen van dichtbij, zoals de scholen die vaak dicht moeten.

Toch komt het gevaar steeds dichterbij, zo is mijn schoonzus met haar dochter van 10 jaar ternauwernood ontsnapt aan een ontvoering. Dit heeft een grote impact gehad op het kinderdorp want veel kinderen hier kennen haar ook goed. Verder is de directrice van de bank laatst ontvoerd. Zij is een hele goede kennis van ons en we weten tot op de dag van vandaag niet hoe het met haar gaat.

Het zijn spannende en gevaarlijke tijden en toch hopen we snel terug te kunnen keren naar het kinderdorp. We danken jullie voor jullie steun en gebeden.

Johan en Wilcie Smoorenburg

Bendes aan de macht op Haiti

In de 40 jaar dat Johan op Haïti woont en werkt heeft hij al heel wat meegemaakt, van revolutie en staatsgrepen tot burgeroorlog, grote opstanden en niet te vergeten de vele natuurrampen. Op dit moment probeert het land zich te herstellen van de zware aardbeving en de moord op president Moïse, wat allebei dit jaar plaatsvond. Er is alleen weinig ruimte om bij te komen want de ellende is nog niet voorbij.

Wat de situatie in het land op dit moment zo gevaarlijk maakt is de opkomst van de zwaarbewapende bendes die de dienst uitmaken. In het verleden was er een leger en een politiemacht. Dat is afgeschaft door president Aristide, die van 1991 tot 2004 met tussenpozen regeerde. Aristide ging hierna jongeren van wapens voorzien, die inmiddels bendes hebben gevormd die beter bewapend zijn dan de politie. De politie kan niet tegen deze bendes op en veel politieagenten zijn zelf ook bendeleden geworden. Een van de grootste en machtigste leiders van een grote bende staat bekend onder de naam Barbecue, ook hij is een voormalig politieagent. Zijn naam heeft hij te danken aan zijn gebruik om hele woonwijken in de fik te steken en zo angst en terreur te zaaien.

De ontvoering van zeventien Amerikaanse en Canadese zendelingen en vijf van hun kinderen, bracht Haïti weer even volop in het nieuws. Verantwoordelijk voor deze grote gijzeling is de bende 400 Mawozo. De leider vraagt een miljoen dollar per gegijzelde en dreigt ze te doden als er niet wordt betaald. Op het moment dat deze nieuwsbrief geschreven wordt zijn vijf mensen vrijgelaten. Dit is maar één van de vele ontvoeringen en daarnaast is er ook iedere dag het gevaar van schietpartijen en overvallen.

Er is in het hele land een groot brandstoftekort omdat de bendes de wegen in handen hebben waarover de aanvoer van onder andere benzine en dieselolie loopt. Dit maakt de hele economie kapot omdat zaken niet open kunnen en ziekenhuizen zelfs geen patiënten meer kunnen opnemen omdat er geen elektriciteit is. De huidige premier Ariel Henry, die overigens ook een verdachte is in de zaak van de moord op president Moïse, ontkent dat er een schaarste is aan brandstof. Hij beweert dat er brandstof – via door de politie bewaakte ‘veiligheidscorridors’ – over het land zal worden verdeeld. In Port-au-Prince is hier vooralsnog helemaal niets van te merken.

Bendes maken de mensen het leven onmogelijk. Zelfs om op de markt te kunnen komen moet je zogenaamd ‘toegangsgeld’ betalen. Scholen kunnen niet normaal functioneren, omdat leraren niet op school kunnen komen door de schietpartijen. Unicef bericht dat zeker zeven scholen door bendes worden afgeperst. Ze moeten betalen voor bescherming; een methode waarmee bijvoorbeeld ook de Italiaanse maffia groot is geworden. De bendes hebben inmiddels hele wijken in handen en duizenden mensen zijn gevlucht.

‘God heeft nog niet gezegd dat ik met pensioen kan’


Johan Smoorenburg (78) heeft het makkelijker dan de goede herder uit de Bijbelse gelijkenis. Naar verloren schapen op zoek gaan, is meestal niet nodig. “Ze komen vanzelf naar me toe.”

Terug naar Haïti kan Johan voorlopig niet. Na een verlofperiode in Nederland is hij gestrand in de Dominicaanse Republiek. “Mijn vrouw Wilcie en ik zijn gewaarschuwd dat we nog maar niet thuis moeten komen. We lopen in Haïti het gevaar dat we ontvoerd worden. De onrust in het land begint nu ook in onze omgeving door te dringen. Tien kilometer van ons huis is het gebied helemaal in handen van bendes. We kijken nu vanuit de Dominicaanse Republiek de ontwikkelingen in Haïti even aan.”

Ondertussen maakt Smoorenburg zich nuttig met vrijwilligerswerk. Namens de stichting Epafras bezoekt hij Nederlanders die in de Dominicaanse Republiek gevangenzitten. Toch gaat hij het liefst weer aan de slag in Haïti, het armste land van het westelijk halfrond. “Mijn verantwoordelijkheid ligt daar. Met Gods hulp konden we er veel opbouwen, ik kan dat nu niet in de steek laten. Jaren geleden wilde ik niet eens naar Haïti, maar God riep me daar en Hij hielp me altijd door moeilijkheden heen. Hij heeft nog niet gezegd dat ik met pensioen kan.”

‘Kom over’

In 1979 was hij voor het eerst in Haïti. Smoorenburg ondersteunde toentertijd de van oorsprong Zwitserse zendeling Hanspeter Bolli op Martinique, onder meer bij evangelisatiecampagnes. “We hadden er een Bijbelschool opgericht. Ik voelde dat ons werk daar na acht jaar begon af te lopen. Het kon door lokale mensen worden overgenomen. Een Haïtiaanse pastor schreef me toen: ‘Kom over, kom eens kijken wat je bij ons kunt doen.’ Ik ben drie keer in Haïti geweest voordat we overgingen. De eerste keer was ik na een week alweer terug, ik zou er veertien dagen blijven. Ik zag inderdaad dat we actief konden worden in Haïti. Maar er wonen, nee, nooit van m’n leven, zei ik.”

Goede rust

De tweede keer keek Smoorenburg er al anders tegenaan, vertelde hij eerder dit najaar in de woonkamer van een tijdelijk onderdak in Zeist. “Tijdens het derde bezoek begon ik van Haïti te houden. De eenvoud van de mensen, de vriendelijkheid waarmee ze me ontvingen, trok me, maar ook de noodzaak. In een weeshuisje zag ik kinderen op de grond liggen, op gevlochten matjes van bananenbladeren, in hun eigen vuil, in een soort varkenshok. Toen wist ik wat ik daar moest gaan doen.” Met steun van EO Metterdaad bouwde de geboren Utrechtenaar een dorp voor kinderen met de naam Bon Repos (letterlijk: goede rust) in Croix-des-Bouquets, op zo’n vijftien kilometer van de hoofdstad Port-au-Prince.

Het kinderdorp opereert nu onder de vlag van de Nederlandse stichting Hart voor Haïti. Van de 754 weeshuizen in Haïti die bij het ministerie van Sociale Zaken bekend zijn, voldoen er slechts 35 aan de officiële normen. Bon Repos behoort tot de tien beste van het land. Circa 150 kinderen en zo’n 20 ouderen hebben er een thuis, 600 kinderen krijgen er christelijk onderwijs.

‘Papi Jean’

‘Vader van 700 kinderen’ wordt Smoorenburg genoemd. “Zoveel zijn er in de loop der tijd bij ons opgegroeid. Vaak van baby af aan, of heel jong, meestal tot 18 jaar of nog wat ouder. Ik raak nooit meer van hen af. Als er problemen zijn, weten ze ‘papi Jean’ – zo heet ik daar, papa Johan – wel te vinden. Zelfs kinderen van ‘mijn kinderen’ doen een beroep op onze hulp.”

Smoorenburg is als een herder voor zijn schapen. “Kinderen begeleiden in een land als Haïti is een enorme zorg. Die blijft als ze ons kinderdorp op hun achttiende verlaten. Vaak betalen we hun studie, ook aan de universiteit, zodat ze goed terechtkomen en het niet voor niets is geweest dat ze al die tijd in Bon Repos waren. We bereiden onze kinderen erop voor dat ze een goede plaats in de samenleving innemen. Verreweg de meesten doen het redelijk tot goed. In een gezin met drie kinderen kan het ook met eentje misgaan. Nou, wij hadden er heel wat meer. Alles bij elkaar mag ik niet mopperen. Ik kan ze niet allemaal volgen, maar ik denk dat zeker 90 procent van de kinderen van Bon Repos in het evangelie is doorgegaan en een taak heeft in een christelijke gemeente, zoals oudste zijn of zingen in een koor. Soms verneem je tien jaar niets van een voormalige pupil en dan ineens…

Bijna elke dag krijg ik wel een aanvraag voor hulp. Nu is er bijvoorbeeld een jonge vrouw die in verwachting is. De vader van het kind, met wie ze niet was getrouwd, heeft haar alleen gelaten en ze heeft geen geld om te kunnen bevallen. Een ander wordt ziek of komt zonder werk te zitten en kan de huishuur of het schoolgeld voor zijn kinderen niet betalen. Vaak hebben onze kinderen ook geen familie bij wie ze kunnen aankloppen. Bon Repos is hun familie. Zijn er wel familieleden, dan zijn die net zo arm.”

Staatsgreep

De leefomstandigheden in Haïti zijn er in de loop der jaren niet beter op geworden. “Sommige kinderen zijn daarom weggetrokken naar Brazilië, de Verenigde Staten, Canada of de Dominicaanse Republiek. Ik kwam in Haïti onder president Duvalier, bijgenaamd Baby Doc. Hij was een dictator, maar over de gehele periode bezien was dat de beste tijd. Er was orde en je kon ’s nachts gewoon over straat lopen. Sinds de eerste staatsgreep in 1988, een jaar nadat Duvalier weg was, is het alleen maar erger geworden. God verbergt dingen voor je. Als ik vooraf alles had geweten! Je groeit ergens in en ik denk dat God dat weet. Hij liet niet van tevoren zien dat ik in die veertig jaar zou gaan door een revolutie, vier staatsgrepen, een burgeroorlog, aardbevingen en dreiging van bendes en ontvoeringen. Er is nu bijna niet meer te leven. Ook privé heb ik klappen gehad. Mijn vrouw stierf na een ziekte van één maand en vier dagen. Maar ik strijd de goede strijd en heb het geloof behouden. Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik naar Haïti ben gegaan.”

Ontvoering voorkomen

Behoorlijk uitzichtloos lijkt het nu in het land. “Grote bendes, zwaar bewapend door zakenmensen, multimiljonairs die Haïti niet willen veranderen, bepalen op veel plaatsen het leven. De minder goed bewapende politie kan er niet tegenop. De politiek is één corrupte bende. Senatoren hebben hun eigen bendes. Buitenlanders worden ontvoerd voor losgeld. Als ze mij kidnappen, vragen ze waarschijnlijk tien miljoen dollar. Ze denken dat elke buitenlander multimiljonair is. Wilcie, een Haïtiaanse met wie ik nu getrouwd ben, en ik hebben een huis in de bergen, een uur van het kinderhuis. We komen bijna niet meer buiten. Als we naar Bon Repos gaan of terug naar ons huis – soms zitten we veertien dagen op het project als het nodig is – vertrekken we ’s morgens om een uur of vijf, wanneer er vrijwel geen verkeer is. Dan kunnen we met een kogelvrije auto keihard doorrijden om een ontvoering te voorkomen.”

“Verschrikkelijk dat Haïti deze kant opgaat,” vindt Smoorenburg. “Elf miljoen inwoners hebben weinig hoop op een beter bestaan, er is nog veel analfabetisme en weinig werkgelegenheid, maar moedeloos worden heeft geen enkele zin. Je moet blijven geloven dat het kan veranderen. Daar bidden Wilcie en ik elke dag voor.”

Geen complimenten

Haïti is volgens Smoorenburg “een volkomen aparte samenleving. Niet te vergelijken met welk eiland in het Caraïbisch gebied ook. De Haïtianen vochten zich in 1804 vrij van de Fransen, werden onafhankelijk, maar ze zijn nooit een hecht volk geworden. Haïtianen houden niet van Haïtianen. Je zult een Haïtiaan nooit een ander een compliment horen geven, wel de grond indrukken. Ik ben er zo’n beetje de enige die complimenten geeft.”

Kerken zijn er genoeg in Haïti, vooral rooms-katholieke. Smoorenburg zag het aantal evangelische gemeenten toenemen. Met zijn medewerking aan evangelisatiecampagnes had hij daar zijn aandeel in. “Maar met zieltjes winnen was ik nooit bezig. Ik predikte het evangelie en hielp ook mensen die naar een andere kerk gaan. Geef je iemand te drinken, dan heb je dat aan Mij gedaan, zegt Jezus. Dat deden we, zonder de gedachte: dan moet je wel bij mij in de kerk komen. De kracht van de evangelische beweging in Haïti is dat ze overal de mensen heeft opgezocht. Op de vreemdste plaatsen in het binnenland tref je een evangelische gemeente aan. Die kan men veel makkelijker bezoeken dan een kerk verder weg in de stad. Zo is het evangelie overal in Haïti bereikbaar. Met preken alleen ben je er echter niet. Je kunt blij zijn dat er zevenhonderd mensen in je kerk komen, maar weet je hoe het met hen gaat? Voorgangers en oudsten moeten herders zijn en de mensen thuis opzoeken. Die willen hun problemen neerleggen bij iemand die ze vertrouwen. Naar mensen luisteren, hen helpen en raad geven, daar komt het op aan.”

Achteruitgang

De betrokkenheid van gemeenteleden bij de evangelische gemeenten in Haïti is volgens Smoorenburg over het algemeen goed. “Niet alleen de samenkomsten, ook de doordeweekse Bijbelstudies worden trouw bezocht. Bijna elke gemeente heeft een vrouwenevangelisatiegroep en ook de mannen zijn actief. Ondertussen hoor ik tijdens mijn spreekbeurten op verlof dat veel evangelische gemeenten in Nederland maar moeilijk nieuwe oudsten vinden. Dat is triest. Direct na mijn bekering ging ik met de jeugdgroep de straten op om te evangeliseren, zingend bij de gitaar. Dat was toen heel gewoon, maar waar vind je dat nog? Ik verneem nu de klacht dat gemeenteleden vaak zo druk zijn met televisiekijken, sport, noem maar op, dat ze geen tijd meer hebben voor Bijbelstudie of een taak in de gemeente. Dat is een achteruitgang. Geef wat van de keizer is aan de keizer en geef aan God wat God toebehoort, zegt Jezus. Geef dan een deel van je tijd voor God, Hij schenkt je toch de eeuwigheid? Misschien zie ik de situatie in Nederland wel scherper doordat ik er zelf niet woon.”

Een goede herder beschermt zijn schapen voor leeuwen en wolven. Wat ziet Smoorenburg als gevaar? “Voorgangers moeten een goede opleiding en goede Bijbelkennis hebben. Op verlof sprak ik veel over Matteüs 24. Het eerste wat Jezus daar zegt, is: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt.’ Ook in Haïti zie ik voorgangers die er vooral zelf financieel beter van willen worden. En hoeveel gemeenten vallen niet uit elkaar om allerlei complot- en eindtijdtheorieën die worden aangehangen? Terwijl we het hele evangelie kunnen samenvatten in één tekst, Johannes 3:16: ‘Want God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’ Al het andere houdt alleen maar af van de werkelijke waarheid. Schapen hebben recht op het juiste voedsel en kunnen niet zonder Bijbelkennis. Hoe versloeg Jezus de duivel die Hem verzocht? Door te zeggen: Er staat geschreven…”

Niet stilzitten

Smoorenburg oogt fit en energiek. Vier jaar geleden was dat anders. “Toen moest ik in de Dominicaanse Republiek een zware openhartoperatie ondergaan, waar ik bijna aan onderdoor ben gegaan. Ik kreeg een bypass en ze ontdekten dat mijn aorta op springen stond. Dat was een zegen, anders was ik nu misschien niet meer in leven geweest.”

Met vernieuwde krachten pakte de zendingswerker zijn taak in Haïti weer op. “Mijn twee jongens zeggen soms: Papa, je hebt wel genoeg gedaan, houd er eens mee op, ga eens wat leuke dingen doen. Ik héb leuke dingen gedaan. Ik speel saxofoon en klarinet en wilde muzikant worden. Daar is het niet van gekomen, maar ik musiceerde tijdens een evangelisatiecampagne wel voor twaalfduizend mensen in Guyana. Zendingswerk is mijn leven. Wat zou ik dan moeten gaan doen? Stilzitten kan ik niet, ik vind leuk wat ik doe en ik kan altijd op verlof komen in Nederland. Ik sterf liever in het harnas dan achter de geraniums. Gelukkig zijn er geen geraniums in Haïti.”


Bron: EO-Visie
Beeld: Jacqueline de Haas
Tekst: Jan Kas

Veel schade door aardbeving

Op zaterdag 14 augustus om half negen ’s ochtends (plaatselijke tijd) was er op Haïti een aardbeving met een kracht van 7,2 op de schaal van Richter. Het episch centrum van de beving lag 125 km ten westen van de hoofdstad Port-au-Prince. Het exacte dodenaantal is nog niet bekend maar ligt in ieder geval boven de 2.000. Dit is beduidend minder dan de 200.000 doden die vielen bij de aardbeving in 2010. Het hart van de aardbeving lag toen veel dichter bij de hoofdstad. Doordat er in het zuiden niet veel hoge gebouwen zijn en er ook minder mensen wonen is het slachtofferaantal nu minder hoog.

Veel schade door aardbeving – ook het geweld gaat door

De grote schade in het getroffen gebied is er echter niet minder om en dit is niet alleen het gevolg van de aardbevingen. Dit komt ook door de armoede, waardoor de kwaliteit van huizen en infrastructuur slechter is dan in bijvoorbeeld het buurland de Dominicaanse Republiek.

De Haïtiaanse premier, Ariel Henry, die de op 7 juli doodgeschoten Jovenel Moïse opvolgde, heeft vanwege de aardbeving de noodtoestand uitgeroepen. Het is de vraag wat dat precies inhoudt in een land met steeds sterker wordende straatbendes. Zij maken het leven op Haïti vrijwel onmogelijk en zijn zwaar bewapend, beter dan de politie. Elke dag zijn er kidnappings, soms kidnappen ze een hele bus tegelijk. Wat het allemaal nog erger maakt is dat de noodhulp ten behoeve van de aardbeving door de wijken heen moet waar deze bendes de baas zijn. Verschillende vrachtwagens met voedsel voor de slachtoffers maar ook met brandstof zijn door hen gestolen.